Hypotheekrente: vast of variabel?
|
|
Een vaste of variabele hypotheekrente? Het is een vraag die
dagelijkse wordt voorgelegd bij financieel adviseurs. Toch zijn er
weinig adviseurs die de vraag ook onderbouwd kunnen beantwoorden. In
Nederland kennen we een grote variëteit aan rentevaste perioden. Van
variabele rente op euribor basis tot een dertig jaar vaste rente. Voor
iedere hypotheekklant kan een passende rente worden gekozen. Van deze
door banken, verzekeraars en in mindere mate pensioen en bouwfondsen
geboden keuzes, kan in de praktijk een groot aantal worden geschrapt. De
reden is dat in verreweg de meeste situaties een tien of anders vijf
jaar vaste rente gekozen wordt. Naar onze mening wordt de keuze dikwijls
niet goed onderbouwd en is vaak sprake van een typisch Nederlandse
consensusoplossing. De rente voor dertig jaar vastzetten is het toppunt
van zekerheid, maar wordt door klant en adviseur als duur ervaren. Een
variabele rente is daarentegen goedkoop maar wordt weer gezien als te
risicovol.
De VOFP deed daarom in samenwerking met Capital Consult & Coaching BV te
Amsterdam een onderzoek naar de verschillen tussen vaste en variabele
hypotheekrente over de periode sinds 1956. Wat was in die periode de
beste keuze: een tien jaar vaste rente of toch liever een variabele
hypotheekrente? In onderstaand verslag zullen wij ingaan op een door ons
verricht onderzoek naar de verschillen in kosten en de verschillen in
risico's.
Nederlanders hebben een sterke voorkeur voor een langere rentevaste
periode, althans zo wijzen de statistieken uit. Veruit de populairste
rentevaste periode is tien jaar. Uit een recent onderzoek van het
Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat ongeveer 40 procent van de
onderzochte huishoudens gekozen heeft voor 10 jaar vast.¹ Uit deze
gegevens kunnen we de conclusie trekken dat het merendeel van uw klanten
zekerheid wil over hun toekomstige woonlasten. De praktijk leert dat de
keuze voor zekerheid niet afhangt van bijvoorbeeld de hoogte van de
hypotheeklasten in relatie tot het inkomen of met de actuele rentestand.
Of de hypotheekrente voor tien jaar vast nu 5 of 12 procent bedraagt,
consument en adviseur is én blijft fan van een lange rentevaste periode.
Een logische vraag dient zich aan: waarom? De economische wetenschap
heeft een simpele verklaring voor het verschil tussen de variabele rente
en de rente die langer rentevast is. De geldverstrekker zet zijn
geld
langer uit, loopt daardoor meer renterisico en eist daarom een hogere
rentevergoeding. Daarom is de korte rente vrijwel altijd lager dan de
langlopende rente. Er is dan sprake van een normale rentestructuur.
Uitzonderingen bevestigen echter nog altijd de regel en wijzen uit dat
een aantal periodes in de recente geschiedenis is aan te wijzen waarin
deze logica niet opging. Een extreem voorbeeld is het jaar 1981. Het
rommelde dat jaar stevig op de internationale rentemarkt. In navolging
van landen als de Verenigde Staten, Japan en het Verenigd Koninkrijk
bereikte de korte en lange rente in Nederland dat jaar beide hun
all-time high op een niveau van rond de 12 procent. Daarbij noteerde
de geldmarktrente iets hoger dan de kapitaalmarktrente. Er was dus
sprake van heuse inverse rentestructuur waarbij de korte rente hoger is
dan de lange rente.
Lessen uit het verleden?
Ondanks dat afwijkende van 1981 zich in Nederland sinds de Tachtigjarige
oorlog niet meer had voorgedaan, was de angst voor een verdere stijging
van de rente aanwezig. Dit deed menig adviseur besluiten om een lange
rentevaste periode te adviseren. Een jaar later behoorde de inverse
rentestructuur weer tot het verleden en daalde zowel de
kapitaalmarktrente als de geldmarktrente sterk. Eind jaren tachtig is
het dan weer over met de rentedaling. De rente begint op te lopen en
gedurende de periode 1989 tot 1994 is kort geld wederom duurder dan lang
geld. Met alleen het jaar 1981 nog in het geheugen luidde het advies dan
ook: vooral lang vastzetten die rente. Achteraf bleek dit voor velen een
ongelukkige keuze, aangezien de rente voor alle rentevaste perioden
vanaf dat moment sterk daalde. Gelukkig hadden de adviseurs een
oplossing voorhanden voor hun klanten: het openbreken van het
rentecontract of in zijn geheel een nieuwe hypotheek sluiten bij een
andere geldverstrekker. De kosten waren meestel vele duizenden guldens
aan boeterente. Met name in de jaren 1996 tot 1999 sloten Nederlanders
massaal hun hypothecaire lening over. De geschiedenis herhaalt zich,
want ook anno 2003 horen we geluiden als: “de rente is historisch laag,
dus sluit nu over naar een lange rentevaste periode”. Midden jaren
negentig zeiden experts ook dat de bodem bereikt was, en de
hypotheekrente bedroeg destijds nog 7 procent.
Het onderzoek
Om te bekijken wat nu precies de verschillen kunnen zijn tussen een
vaste en een variabele rente, deden wij een onderzoek. Daarbij baseerden
wij ons op de historische rentegegevens van het CBS over de periode 1956
tot en met 2002.² Daarbij namen we per jaar de gemiddelde geldmarktrente
en de kapitaalmarktrente voor tien jaar vast. Aangezien de CBS-gegevens
betrekking hebben op de creditrente telden we steeds 0,75% bij de rente
op om tot een vergelijkbare hypotheekrente te komen. De gemiddelde
hypotheekrente voor tien jaar vast blijkt in deze periode van 47 jaar
uit te komen op 6,85%. De variabele rente kwam over dezelfde periode uit
op gemiddeld 5,29%. Per saldo dus een een verschil van 1,56% per jaar in
het voordeel van de variabele hypotheekrente. Op een hypotheek van
500.000 euro scheelt dat over een periode van dertig jaar in totaal
234.000 euro aan te betalen rente. Bij 52 procent belastingvoordeel
blijft daar per saldo ruim 112.000 euro netto van over. Het netto
voordeel van de keuze voor een variabele rente in plaats van een tien
jaar vaste rente, kwam in de onderzoeksperiode dus uit op bijna 3.750
euro per jaar bij een lening van 500.000 euro.
Afschaffen hypotheekrente aftrek

De
hypotheekrente aftrek en de spaarloonregeling moeten worden afgeschaft, omdat het vooral rijkere Nederlanders zijn die van deze regelingen profiteren.
Het Centraal Planbureau (CPB) schrijft dat in een discussiestuk over de toekomst van de verzorgingsstaat.
De rekenmeesters van het kabinet stellen vast dat 'het
eigenwoningregime en de spaarloonregeling vooral ten goede komen
aan draagkrachtige huishoudens'.